Paris FvdV is een weblog voor kenners en liefhebbers van de stad Parijs - en voor hen die dat willen worden. Parijs is een stad met een gewichtig verleden, respectabel en gerespecteerd. Het is totaal niet nostalgisch. Parijs is er in geslaagd om, soms op brutale maar altijd op elegante wijze, om te gaan met zijn grootse monumenten. Ze te beschermen en te integreren in de nieuwe dynamiek van de stad. Parijs is een meester op het gebied van herstel en transformatie. U zult er nooit in slagen een volledig overzicht te maken van plekken en verhalen, die allemaal op hetzelfde punt uitkomen en de glorie van deze stad bezingen. toch wil ik een poging wagen. Wekelijks wil ik u niet alleen informeren over wat Parijs nog meer te bieden heeft, maar ook wil ik mijn liefde voor deze stad op u over dragen. In de hoop dat het raakt aan iets wat u herkent of voelt. Ferry van der Vliet.

woensdag 5 juli 2017

MUSÉE NISSIM DE CAMONDO PARIJS: DE GLORIE EN DE TRAGEDIE

Aan het eind van de dure stadslaan, avenue Ruysdaël, in het achtste arrondissement, wacht een indrukwekkend hekwerk waarachter zich het Parc Monceau bevindt. Neem de rue Monceau, een weinig indrukwekkende straat, op het eerste gezicht onooglijk, maar schijn bedriegt. Hier woonde aan het begin van de twintigste eeuw een ongekende melange van adel, joodse aristocratie, protestantse high society, industriële- en bancaire bourgeoisie en religieuze congregaties; aldus Pierre Assouline in zijn boek 'Le dernier des Camondo,' over de bewoners van nummer 63. Ook dat nummer dringt zich niet op, met zijn bescheiden opschrift Musée Nissim de Camondo. Pas als je de binnenplaats opkomt achter de poort sta je oog in oog met een elegant stadspaleis geïnspireerd op het Petit Trianon van Koningin Marie Antoinette.

Rue Monceau, nummer 63, ook dat nummer dringt zich niet op met zijn bescheiden opschrift Musée Nissim de Camondo

In 1910 liet de puissant rijke bankierszoon Moïse de Camondo het huis op nummer 63, dat zijn vader hem had nagelaten, slopen om zijn toen al indrukwekkende kunstcollectie een passende omgeving te bieden. Het werd een meesterstukje van klassieke architectuur, waarin de complete collectie nog altijd te zien is, onveranderd, zoals Moïse de Camondo haar in 1935 aan de Franse Staat vermaakte.

Behalve rijk en kunstverzamelaar, was Moïse de Camondo ook van Sefardisch Joodse afkomst, geboren in Turkije. Voor hun komst naar Parijs had de familie Camondo al een woelige geschiedenis achter de rug. Het geslacht stamde uit Spanje, vanwaar het in 1592, zoals alle joden, door Philips II waren verbannen. Na omzwervingen waren de Camondo's in Constantinopel terechtgekomen, waar ze zich ontpopten tot de bankiers van de Ottomaanse pasja's. Zo werd de Turkse bijdrage aan de Krimoorlog door de Camondo's gefinancierd. Ze werden er schat hemeltje rijk van. Maar ook buiten Constantinopel had de naam van de bank 'Camondo et Cie' een overbekende klank. De 'Rothschilds van het Oosten' werden ze genoemd.

Pas als je de binnenplaats opkomt achter de poort sta je oog in oog met een elegant stadspaleis geïnspireerd op het Petit Trianon van Koningin Marie Antoinette

De grondvester was in de jaren vijftig van de negentiende eeuw zo belangrijk, dat hij met z'n gezin naar Wenen kwam om het huwelijk van keizer Frans Jozef bij te wonen. Een decennium later financierde hij de Italiaanse eenwording. Uit dank kreeg de hele familie de Italiaanse nationaliteit en werd ze in de adelstand verheven door Koning Victor Emmanuel II, die erfelijke graven van de Camondo's maakte. Toen omstreeks dezelfde tijd in Constantinopel, het vroegeer Istanbul, weer eens een voor joden ongunstige wind opstak, besloten de twee zoons, Abraham Behor en Nissim, naar Parijs te verhuizen. Abraham en Nissim kozen voor een van de meest exclusieve wijken in de hoofdstad, het gebied rond Parc Monceau. De broers vestigden zich naast elkaar aan het park, destijds de nieuwe aanleg van de stad, ontstaan op de tekentafel van baron Haussmann. De broers bewogen zich meteen in de maatschappelijke top. Hun herkomst verraadden ze alleen wanneer ze op zwoele avonden met een fez op in de tuin zaten.

De begane grond laat zien wat de Moïse Camondo met 'Grandeur' bedoelde.

De collectioneurs in de familie de Camondo waren echter niet de broers Arbraham Behor en Nissim maar hun respectievelijke zonen Isaac (1851-1911) en Moïse (Mozes - 1860-1935). Isaac bijvoorbeeld, liet na zijn dood in 1911, zijn gehele moderne kunstcollecties, waaronder veertien kunstwerken van Monet, Cezanne en Degas, na aan het Louvre (De werken verhuisden later naar het Musée d'Orsay).

Een doorkijkje naar de 'huiskamer.' De panelen uitgevoerd in wit eiken waren afkomstig uit de 'Salon de Compagnie' uit het woonhuis van  de Graaf van Menou aan de Rue Royale (1782-1785)

De periode rond de eeuwwisseling was voor kunstverzamelaars een gouden tijd. Parijs was toen de belangrijkste kunstmarkt ter wereld doordat veel kastelen van de oude adel van vóór de revolutie tegen de vlakte gingen en de markt werd overstroomd met complete inboedels. Moïse liet zich adviseren door curatoren van het Louvre en het Musée des Arts Décoratif en kwam zo in contact met grote antiquairs. Zo bleef hij zijn collectie verrijken tot het einde van zijn leven. Steeds verkocht hij stukken om weer betere stukken aan te kunnen kopen.

Om zijn kunstverzameling beter tot haar recht te laten komen, beslist hij in 1910 zijn woning aan het Parc Monceau helemaal neer te halen en opnieuw op te bouwen, op een dusdanige manier dat de kunstwerken er een vaste plaats krijgen. Alle tapijten, schouwen, deuren enz. die hij in de loop der jaren verzameld heeft, worden in de tekeningen van de architect, René Sergent verwerkt. Het wordt een huis uit begin 20e eeuw, maar met de uitstraling van een klein kasteeltje. Ideaal om zijn 18-eeuwse decoratieve schatten te presenteren. Een moderne receptie-fabriek, gericht op grote ontvangsten voorzien van alle luxe en comfort uit die tijd, waaronder verwarming en badkamers.

In de keuken staat een enorm zwart kookeiland van gietijzer met een ingegoten fabricagedatum: 1912. Erachter wacht een 'rotissoir' met een ingenieus draaimechaniek dat in werking wordt gesteld door de rook van het kolenfornuis. Heel ongebruikelijk in die tijd, maar de helft van het huis bestaat uit dienstvertrekken. Voor wie hier rondloopt roept het een gevoel op van Downton Abbey.' Alles in dienst van het 'recevoir', de belangrijkste bezigheid van de adel en haute bourgeoisie aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Bij de Camondo's kwam iedereen. Maar voor Moïse betekende dat door zijn verzameling te worden geaccepteerd door de geboren aristocratie.

Le 'Salon des Huet'

Hoewel succesvol in zaken was hij minder gelukkig in zijn privé leven. In een alliantie van twee krachtige bankiersfamilies trouwt  de enigszins stugge Moïse in 1891 met Irène Cahen d'Anvers, Amper 19 jaar oud, maar eveneens afkomstig uit een rijke joodse bankiersfamilie. Irène was zelfs als kind door Renoir geschilderd, met krullend lang bruin haar dat over haar rug valt en gewikkeld rond haar schouder een bonte cape. Het huwelijk vindt plaats in de 'Grande Synagogue de Paris' aan de Rue de la Victoire. Vijf jaar en twee kinderen later wordt ze verliefd op een Italiaanse graaf; Charles Sampieri. In de scheiding krijgt Moïse voogdij over de twee kinderen: Nissim de zoon, vernoemd naar zijn grootvader en dochter Béatrice.

De badkamer van Moïse de Camondo

Zoon Nissim groeit ondertussen op tot een elegante jongeman, met toekomstperspectieven waar de andere jongens van die leeftijd alleen maar van kunnen dromen. Maar het noodlot slaat toe. Wereldoorlog I breekt uit. Nissim trekt naar het front, eerst als soldaat, daarna kiest hij voor de meer heroïsche luchtmacht en wordt vliegenier. In september 1917 wordt zijn vliegtuig geraakt bij een luchtgevecht. Nissim kan nog net landen, maar overlijdt enkele dagen later aan de opgelopen verwondingen.

In de keuken staat een enorm zwart kookeiland van gietijzer met een ingegoten fabricagedatum: 1912

Vader Moïse is ontroostbaar en schrijft twee jaar later in een brief over 'de catastrofe die zijn leven vernietigd heeft'. Hij liquideert al zijn bankbelangen en trekt zich terug uit het openbare leven. Het huis, dat van nok tot kelder was gebouwd om te ontvangen, zou geen sterveling meer zien. De bewoner wilde er alleen blijven, getroost door 'de decoratieve kunst uit de periode die ik meer dan alle andere liefheb,' zoals Moïse in zijn testament schreef.

Het huis, sinds de dood van Moïse Camondo in 1935 onveranderd, lijkt opdat de bewoner elk moment kan terugkeren 

Wanneer enkele jaren later dochter Béatrice het ouderlijk huis verlaat om te trouwen met Léon Reinach, zoon van eveneens een Joodse familie, blijft Moïse alleen achter. Hij bepaalt dat zijn woning met alle kunstwerken na zijn dood als museum naar de Franse Staat moet gaan, ter nagedachtenis van zijn zoon. In 1935 overlijdt Moïse en gaat de woning overeenkomstig de beschikking over naar de Staat en wordt museum: Het museum Nissim de Camondo.

In principe zou het verhaal over het ontstaan van dit museum hier eindigen. Maar de tegenslagen die het geslacht Camondo zal kennen, zijn kennelijk niet ten einde. Dochter Béatrice en Léon Reinach krijgen twee kinderen, Fanny en Bertrand. Wanneer de 2e Wereldoorlog uitbreekt, wordt het hele gezin Reinach-Camondo opgepakt en gedeporteerd naar Auschwitz. Geen van hen zal de oorlog overleven. Het betekende het einde van de familie de Camondo. Op de joodse afdeling van de begraafplaats van Montmartre staat een bescheiden gedenkteken, 'Famille Camondo.'

Voor wie hier rondloopt roept het een gevoel op van Downton Abbey.' Alles in dienst van het 'recevoir', de belangrijkste bezigheid van de adel en haute bourgeoisie

Met de kunst- en meubelcollectie van de familie liep het beter af. In 1940 werden de werken naar het château de Valencay overgebracht, waar ook een deel van de collectie van het Louvre zich tijdelijk bevond. Hier doorstonden de stukken de oorlog. Na de tweede wereldoorlog werd het museum heropend en vertelt over het leven en de tijden van de familie de Camondo, bankiers, filantropen, verzamelaars en joden. In het museum, dat wordt geëxploiteerd door de Franse staat, is er nauwelijks aandacht voor het verschrikkelijke verhaal. Slechts een marmeren plaquette onder de poort verraadt iets meer van het familiedrama dat zich op dit adres voltrok.

De dienstingang met het kantoortje van de hoofd butler

Wat gebeurde er met het portret van Irène?
Wanneer Irène trouwt met Moïse, verhuist het schilderij met haar mee naar haar nieuwe woning. Maar na de scheiding keert het schilderij opnieuw naar het ouderlijk huis. In 1910 schenkt de moeder van Irène, gravin Cahen d’Anvers het schilderij aan haar kleindochter Béatrice, dochter van Irène. Niet omdat het om een Renoir ging, maar als aandenken aan de moeder die ze zo gemist had.

Het portret van Irène Cahen d'Anvers geschilderd door Renoir

Verschillende decennia later, tijdens de Tweede Wereldoorlog, is de waarde van het schilderij ondertussen wel doorgedrongen tot de familie Camondo en Cahen, en ook ver daarbuiten. Het schilderij raakt in handen van Goering, die het  afstaat aan een zekere Georg Bührle, rijk Zwitsers industrieel van Duitse origine, leverancier van zwaar legermateriaal aan de Wermacht en belangrijk koper van kunst.

De trap die toegang biedt tot de privé vertrekken van Moïse Camondo

Na de bevrijding ontdekt Irène Cahen d’Anvers op een tentoonstelling van meesterwerken van Franse collecties, teruggevonden in Duitsland en Zwitserland, haar portret. Ze onderneemt stappen om het terug te bemachtigen en laat het identificeren, wat haar weinig problemen oplevert, iedereen weet immers dat het portret Irène Cahen d’Anvers voorstelt. Via de erfenis van haar dochter, laatste officiële eigenaar van het portret, komt Irène opnieuw in bezit van haar eigen schilderij. Maar de haat-liefde relatie met het schilderij blijft en even later – in 1949 – besluit ze het schilderij te koop te stellen bij een Parijse galerie. Het duurt niet lang of een koper meldt zich aan. Het is… Georg Bührle. Het schilderij vertrekt opnieuw naar Zwitserland, ditmaal in alle legaliteit en met de goedkeuring van de Franse staat. Het hangt vandaag in de Foundation E.G. Bührle in Zurich. Het schilderij is dus jammer genoeg niet te zien in het museum Nissim de Camondo.

De verzameling bevat voornamelijk Franse meubels uit de 18e eeuw, aangevuld met schilderijen en wandtapijten. Als bezoeker is het nauwelijks voor te stellen dat hier gewone burgers hebben gewoond. Het huis en de inrichting hebben de allure van een paleis. Er zijn prachtige salons, een bibliotheek met uitzicht op het park en een grote eetzaal. Ook wordt de bezoeker toegelaten in de slaapvertrekken en de werkkamers van de Camondo’s. Bijzonder is bovendien dat ook de badkamers en de enorme keuken toegankelijk zijn voor publiek. Indringend omdat het voelt als een indringer, rondlopend in een verlaten huis.

Bronnen:
Pierre Assouline: 'Le dernier des Camondo'. Gallimard
Adriaan van Dis: 'Stadliefde; Scènes in Parijs'

Musée Nissim de Camondo, 63, rue de Monceau, 8e arrondissement, métro Monceau.

Geopend van woensdag tot en met zondag van 11.00 uur - 17.30 uur. Maandag en dinsdag gesloten. Entree €13

Geen opmerkingen:

Een reactie posten