Paris FvdV is een weblog voor kenners en liefhebbers van de stad Parijs - en voor hen die dat willen worden. Parijs is een stad met een gewichtig verleden, respectabel en gerespecteerd. Het is totaal niet nostalgisch. Parijs is er in geslaagd om, soms op brutale maar altijd op elegante wijze, om te gaan met zijn grootse monumenten. Ze te beschermen en te integreren in de nieuwe dynamiek van de stad. Parijs is een meester op het gebied van herstel en transformatie. U zult er nooit in slagen een volledig overzicht te maken van plekken en verhalen, die allemaal op hetzelfde punt uitkomen en de glorie van deze stad bezingen. toch wil ik een poging wagen. Wekelijks wil ik u niet alleen informeren over wat Parijs nog meer te bieden heeft, maar ook wil ik mijn liefde voor deze stad op u over dragen. In de hoop dat het raakt aan iets wat u herkent of voelt. Ferry van der Vliet.

woensdag 26 juli 2017

CITÉ FLORALE EEN BETOVERD STUKJE PARIJS

Tot het einde van de negentiende eeuw was verreweg het meest geïndustrialiseerde deel van de stad te vinden langs de oevers van de Bièvre. De Bièvre, een Frans riviertje, 36 kilometer lang, ontspringt in Guyancourt (Yvelines) en mondt uit in het centrum van Parijs in de Seine, ter hoogte van de Pont d'Austerlitz. Sinds 1912 is de rivier in het 5e en 13e arrondissement van Parijs helemaal overdekt en maakt hij deel uit van het riolennet. Wie dit deel van de stad tegenwoordig bezoekt heeft geen idee dat er een rivier onder zijn voeten stroomt.

Sinds 1912 is de Bièvre in het 5e en 13e arrondissement van Parijs helemaal overdekt en maakt hij deel uit van het riolennet

De Romeinen bouwden in de oudheid al een aquaduct aan haar oever om het water naar de stad te kunnen leiden. Monniken van abdij Saint-Victor, niet ver van de Seine, gebruikten vanaf de 11e eeuw het water voor hun graanmolens. Later in de Middeleeuwen lieten zij zelfs twee kanalen haaks op de Bièvre graven. De aanleg van dijken en dammen zorgde tenslotte voor het ontstaan van twee rivierarmen. De oorspronkelijke loop werd de Bièvre Morte (dode), de tweede de Bièvre Vive (levende) genoemd. Vroeger waren hier weilanden, die geregeld door de rivier werden overstroomd. ’s Zomers graasden er kudden, ‘s winters kwamen de Parijzenaars hier schaatsen en werd er ijs uitgehakt en bewaard om levensmiddelen te koelen. In 'Alleen op de Wereld' liet Hector Malot zijn Rémi al langs de oevers van de Bièvre wandelen. Ook Victor Hugo beschreef de rivier in zijn dichtbundel 'Herfstbladeren'. Deze idyllische verhalen uit de 19e eeuw zijn als echo’s uit vervlogen tijden.

De Cité Florale bestaat uit vijf straatjes en een pleintje

Ondertussen werden er op de oevers abattoirs, ververijen en leerlooierijen aangelegd, die voor ernstige vervuiling zorgden. Die toepassingen verpestten de Bièvre volledig en maakten er een bron van epidemieën van, omdat het water ernstig werd vervuild. Ten tijde van de grote stadsvernieuwingen van Haussmann, eind 19e eeuw, werd dan ook rigoureus ingegrepen en verdween de Bièvre volledig uit het stadsbeeld en werd opgenomen in het Parijse rioolstelsel of begraven onder beton.

Een oase van rust en groen, een betoverend stukje Parijs

Weinigen weten dat in dit gebied een van de mooiste stukjes Parijs te vinden is, een oase van rust en groen, een betoverend stukje Parijs. De Parijzenaar kan het zelf zo mooi zeggen “un petit bout de campagne caché”. In het 13e arrondissement, tussen parc Montsouris en place de Rungis ligt de Cité Florale Het bestaat uit 5 straatjes en een pleintje, naast de Place de Rungis, ingeklemd tussen de Rue Boussingault, de Rue Brillat-Savarin en de Rue Auguste-Lançon. Een kleine enclave die voor de gehaaste mens onzichtbaar blijft, maar een schat aan onverwachte schoonheid in zich bergt. Door de beschermde ligging heeft het haar karakter gelukkig kunnen behouden. Het werd in 1928 aangelegd in de vorm van een driehoek op de plaats waar vroeger de weilanden regelmatig door de Bièvre onder water werden gezet. 

Er heerst een plattelandssfeertje waar de lage huisjes een bitse strijd voeren tegen de moderne hoogbouw

De straten hebben prachtige namen zoals de rue des Orchidées met mooie art-decohuisjes. De rue des Glycines (de Blauweregenstraat), met een klein pleintje overschaduwd door een grote kersenboom. De rue des Liserons (de Windestraat) kleine huisjes die schuil gaan achter de klimop en de rozenstruiken. De rue des Volubulis (Eveneens een soort winde onder de naam 'Morning Glory'), de rue des Iris (Irisstraat) en de square Mimosa (het mimosapleintje) De meeste huizen zijn uit baksteen opgetrokken, verschillend van tint, en hebben allemaal hun eigen tuintje. Er heerst een plattelandssfeertje waar de lage huisjes een bitse strijd voeren tegen de moderne hoogbouw.  Slenter er rustig rond, kijk om je heen en geniet van de rust en charme.

Kleine huisjes die schuil gaan achter de klimop en de rozenstruiken

TIP: Laat je leiden door een gids over de bedding van de Bièvre en ontdek het rijke architecturale erfgoed. Voor meer informatie over de rondleidingen door 'Paris Capitale historique', klik hier. Prijzen vanaf € 22 per persoon.


In het zuiden van Parijs bevindt zich nog een van mijn juweeltjes. Enkele minuten verwijderd van de drukte van Montparnasse ligt het tweede grootste park van Parijs. Aangelegd in de tijd van Haussmann ligt hier een van de best bewaarde geheimen van Parijs: Parc Montsouris. Een park als een Engelse tuin, met glooiende hellingen, golvende paden die bij elke bocht weer onverwacht zicht geven op valleitjes, rotspartijen, balustrades, water en prachtige "lawns". Bijna ongemerkt verborgen achter grote bomen of langs hoge wallen loopt verdiept in de grond het regionale netwerk van de RER (ligne B) over de oude spoorlijnen van de Petite Ceinture en de ligne de Sceaux.

De Cité Internationale Universitaire

Door het park loopt ook de monumentale meridiaan van Parijs. 135 Ronde koperen plaatjes, een ontwerp van de Nederlandse kunstenaar Jan Dibbets, als eerbetoon aan de astronoom en wetenschapper Francois Arago. Journalist en schrijver Philip Freriks heeft alle koperen plaatjes in kaart gebracht en omschreven in zijn boek; "Het spoor van de Monumentale Meridiaan". Volgens dit boek zijn de plaatjes nrs. 15 t/m 20 te vinden in het park.

Op deze prachtige groene campus wonen en leren 5500 studenten uit 130 verschillende landen

Aan de overkant van het park, zeker niet vergeten, ligt de Cité Internationale Universitaire. Op deze prachtige groene campus wonen en leren 5500 studenten uit 130 verschillende landen. Ze wonen in gebouwen die ook het internationale karakter van de universiteit uitstralen; het Huis van Zuidoost Azië, het College van Spanje, het Huis van India, het Zwitserse paviljoen (gebouwd door Le Corbusier) etc. De tuin is vrij toegankelijk en zeker de moeite van een bezoek waard.

De rue Nansouti, met prachtige woningen begroeid met wilde wingerds, blauwe regen en kamperfoelie

De betovering van de tuin en het park strekt zich ook uit tot de omliggende straten, impasses en villa's. Aan de westzijde van het park, aan de rue Nansouti, kleine straatjes met prachtige woningen begroeid met wilde wingerds, blauwe regen en kamperfoelie; rue du Parc Montsouris, rue Georges Braque met op nr. 6 het atelier van de kunstenaar. Square Mont Souris, het meest pittoreske straatje van Parijs. Via de avenue Reille en de rue de la Tombe Issoire komen we bij Villa Seurat, een doodlopende straat, op nr. 18 woonde Henri Miller. De Impasse Gauguet, met artiestenateliers uit de jaren dertig. Allemaal miniparadijzen die zich behaaglijk hebben genesteld in een prachtige groene omgeving, het domein van de welgestelden.

Heb je nog even? Op de hoek van de rue de la Tombe-Issoire en de avenue Reille bevindt zich een van de grootste waterreservoirs van Europa; Réservoir de Montsouris, 265m lang, 135 meter breed en 80 meter boven de zeespiegel. Gebouwd tussen 1868 en 1873 door Belgrand op oude kalksteengroeven. Met twee reservoirs die ondersteund worden door 1860 pijlers. Het reservoir onder de grond heeft een diepte van 5 meter en bovengronds, maar geheel afgedekt, een diepte van ruim drie meter. Omgeven met buitenmuren van meer dan twee meter dik met daarop kleine glazen pomphuisjes die zomaar van de signatuur van Eiffel kunnen zijn. Op de muren gegraveerd de namen die verwijzen naar rivieren in de buurt van Parijs.

Réservoir de Montsouris omgeven met buitenmuren van meer dan twee meter dik met daarop kleine glazen pomphuisjes die zomaar van de signatuur van Eiffel kunnen zijn

Deze juweeltjes in het 13e en 14e arrondissement kunt je het beste bereiken met de RER Ligne B en dan uitstappen bij station Cité Universitaire (je komt dan uit in het park) of met lijn 4, richting Porte d'Orleans, uitstappen bij Alésia

Het spoor van de monumentale meridiaan. Een "petite histoire" van Parijs. 1995 ISBN 90 229 8245 9 - uitgegeven door A.W. Bruna, Utrecht.

donderdag 20 juli 2017

LE TOUR DE FRANCE 2017; PARIJS

Als ik deze blog plaats ben jij nog volop bezig met de Tour de France en ik met de laatste etappe die aanstaande zondag 23 juli 2017 wordt verreden. De 104e Tour de France zit er dan bijna op. Nog 103 kilometer in de 21e en laatste etappe, die traditioneel een prooi voor de sprinters is. Met acht ziedend snelle ronden op de Champs-Élysées neemt het peloton afscheid van het Tour de France-publiek. De grote sprintkanonnen behoren eigenlijk een zege op de Champs-Élysées op hun palmares te hebben staan. Mark Cavendish heeft er vier, maar het is ook alweer vier jaar geleden dat hij de snelste was in Parijs. In 2013 en 2014 ging de zege naar Marcel Kittel en 2015 en 2016 won André Greipel. Zoals gebruikelijk mag de ploeg van de gele trui als eerste het circuit opdraaien en daarna gaat het los in acht ronden van een kleine 7 kilometer. Dappere renners schrapen de laatste beetjes energie in hun vermoeide lichaam bij elkaar om weg te komen. Maar een massasprint is bijna onvermijdelijk.

De 104e Tour de France zit er bijna op, nog 103 kilometer in de 21e en laatste etappe

Het is niet de eerste keer dat het stadje Montgeron fungeert als startplaats, sterker nog, de eerste etappe van de allereerste Tour de France (1903) ging ook hier van start. De laatste etappe van de Tour de France van 2017 begint om 16:50 en de finish wordt rond 19:20 verwacht (doorkomsttijden). Natuurlijk ga ik net als jij genieten van de prachtige helikopter beelden vooral als de renners Parijs binnenkomen bij Porte d'Orleans in het 15e arrondissement. Via de boulevard Lefebvre, boulevard Victor en de boulevard du Général Martial Valin naar de Seine, die helemaal noordwaarts wordt gevolgd tot aan de Pont Alexandre III. De brug werd gebouwd tussen 1896 en 1900, en was net op tijd klaar  voor de wereldtentoonstelling. En dan gebeurt er iets unieks. Voor ons zien we het Grand Palais en voor het eerst gaat de tour dwars door het Grand Palais, met de grootste dakconstructie ter wereld, gemaakt van smeedijzer, staal en glas, naar de Champs Élysées.

Voor het eerst gaat de tour dwars door het Grand Palais, met de grootste dakconstructie ter wereld

Dat wordt spectaculair camerawerk, en daarom leek het mij een leuk idee om de route vast op papier te zetten met een tweeledig doel: Het Parijse deel nog eens na te lopen of met mijn blog gaan zitten voor de TV, als extra ondersteuning voor alle plekken die in beeld verschijnen. Natuurlijk volgt er uitgebreid commentaar over de onderlinge strijd van de wielrenners, maar het zal je opvallen hoe weinig de commentatoren weten te vertellen over de stad zelf en over wat je allemaal te zien krijgt vanuit de helikopter. In de volgende alinea's neem ik je mee langs de ronde van zeven kilometer die de renners acht keer gaan afleggen. Ik beschrijf het als een wandeling zodat je, eenmaal in Parijs zelf deze route nog een keer kunt afleggen.

We beginnen onze wandeling bij de start/finish aan de kant van de Avenue des Champs Élysées met de even nummers. Geniet eerst maar even van het zicht op de Arc de Triomph. De bouw begon in 1806, ter ere van een van Napoleons overwinningen bij Austerlitz. Pas rond 1836, onder koning Lodewijk Filips, werd de bouw voltooid. De Champs Élysées is een van 's werelds duurste winkelstraten. Op nummer 68 (niet ver van nummer 100 waar het startpunt is) opende de Amerikaanse cosmetica-reus Estée Lauder najaar 2012 een flagshipstore Dat is op zich geen nieuws, ware het niet dat het huurbedrag meteen een absoluut wereldrecord blijkt te zijn  in de retailwereld, met 18.000 euro per m² per jaar en dat  met 176 m² op de begane grond en 183 m² op de eerste verdieping. Maar vergis je niet, op deze handelsader worden de hoogste omzetten per vierkante meter gegenereerd: er is sprake van een rendement van € 10.000 tot € 50.000 per m². per jaar.

'Un moment pour les dames' - de winkel van Guerlain

Op weg naar boven passeer je een aantal prachtige winkelgaleries: Galerie des Champs Élysées op 26, Galerie du Claridge op 74, de Lido Passage, op 76, waar eens het oude Lido was gevestigd en op 82 tot 88, de tweede Galerie des Champs Élysées.

Op nummer 42 de showroom van Citroën. Dit pand is al sinds 1927 in het bezit van de automobielfabrikant en in 2006 en 2007 geheel verbouwd door de architecte Manuelle Gautrand. In het interieur herkent men Citroën's voorliefde voor design. Mooi is te zien hoe het Citroënlogo in de 30 meter hoge glazen gevel is geïntegreerd. Van buiten is de bijzondere draaiende kolom van platforms, waar op elk platform een model Citroën  tentoongesteld wordt, goed zichtbaar. TIP: Ga met de lift naar de bovenste etage, waarna je via de trap kunt afdalen naar de verschillende thematische tentoonstellingen. Op de bovenste etage, in de Citroënlounge,  geniet je ook nog eens gratis van een fabuleus uitzicht over de stad.

De spectaculaire showroom van Citroën

Op 44 de Disney store waar je alle gadgets van Disney kunt kopen zonder het Disney Parijs te bezoeken. De Virgin megastore zat op de nummers 52 tot en met 60. Helaas is deze superstore sinds 14 juni 2013 gesloten. Hier opent Galeries Lafayette in oktober 2018 haar tweede winkel in Parijs. Voor de vrouwen zit de echte MUST SEE een stukje verderop op de nummers 68, 70 en 72, het super chique Guerlain en Sephora, meteen de grootste parfumzaak van Parijs. Op 102 de bekende nachtclub Queen voor de nachtelijke dansuitspattingen en de 'mademoiselles' in overtreffende trap.

Het Lido de Paris op 116 is inmiddels het grootste panoramische theater ter  wereld, waar elke twee minuten het decor verandert. Op 3 april 2015 was het eindelijk zover, Twee jaar lang was er gewerkt aan weer een meesterwerk van Franco Dragone; de nieuwe Lidoshow 'Paris Merveilles'. Dragone, die wij kennen van Cirque du Soleil, en zijn team van 11 mensen, hebben de wereld afgereisd op zoek naar de meest prestigieuze acts en talenten. Totale investering 25 miljoen euro. Voor het eerst sinds jaren sloot het Lido in januari 2015 de deuren voor een vier maanden durende transformatie als voorbereiding op de show, De ingang, de lobby en de theaterzaal hebben een totale metamorfose ondergaan. De nieuwe show is een technisch spektakel geheel in de zo herkenbare stijl van Dragone (Cirque du Soleil), aangestuurd door 24 computers. Met meer dan 110 dansers en danseressen (waaronder de wereld beroemde Bluebell Girls) in 600 verschillende kostuums voorzien van 2 miljoen kristallen en 200 kilo veren. Verder 1 ijsbaan, fonteinen en watervallen die meer dan 23.000 liter water per minuut wegpompen, lasereffecten, 700 speakers met surround sound, aangestuurd door 25 versterkers met een totaal vermogen van 20.000 watt, 600 meter neon en meer dan 100.000 lampen aangestuurd via 32 kilometer glasvezelkabel. 100 m² aan LED schermen, 300 lichtprojectoren en een magisch orkest bestaande uit 45 instrumenten. Aan het begin van de show zakt de voorzijde van de zaal automatisch de grond in. Zo ontstaat het toneel. De prachtige kristallen kroonluchters verdwijnen in het plafond en alle andere lampen die het zicht op het toneel wegnemen zakken in de vloer. 35 koks en patissiers onder leiding van Philippe Lacroix zorgen voor een diner op sterrenniveau. Jaarlijks bezoeken 500.000 bezoekers dit cabaret en consumeren 300.000 flessen champagne. Na shows als Allez Lido (1977), Cocorico (1981), Panache (1985) Bravissimo (1990), c'Est Magique (1994), Bonheur (2003) is het nu tijd voor Paris Merveille, inmiddels alweer de 27e show in bijna 70 jaar. Het gordijn gaat omhoog; it's showtime !

Lido de Paris - 'Paris Merveilles' - alweer de 27e show in 70 jaar

We vervolgen onze weg richting de Arc de Triomphe waar de mannen nog een bezoek kunnen brengen aan de showroom van Mercedes op 118 en die van Peugeot op 136. Als goedmakertje neem jij dan je partner mee naar de etalage van het juweliershuis Cartier op 154.

We zijn nu aangekomen op het keerpunt, ter hoogte van de place Charles de Gaulle, ook wel de place de l'Étoile. Oversteken op de place Charles de Gaulle is levensgevaarlijk. Voetgangers die naar de Arc de Triomphe gaan, moeten door de voetgangerstunnel van het metrostation onder het plein. De verkeerscirculatie op dit plein, waar 12 avenues op uitkomen is zo druk, dat tussen de verschillende verzekeraars een knock-for-knock agreement is afgesproken. Dat komt erop neer, dat iedere verzekeraar alleen de schade van eigen klanten betaalt. Toch kan het verkeer er goed doorrijden.

We steken de Champs Élysées over en vervolgen onze wandelroute in tegenovergestelde richting. Rechts, op 133, de bijzondere glazen gevel van de Publicis Drugstore, waarin onder andere een trendy lounge-bar en een van de restaurants van topkok Joël Robuchon.
Op 119 de grootste bar Nespresso boutique in de wereld verdeeld in drie zones: Een barista bar, waar je koffie kunt bestellen en kunt kennismaken met de verschillende smaken. Een lounge waar je kunt genieten van een heerlijke kop koffie en een design ruimte waar je de espressomachine Essenza kunt aanpassen in 16 verschillende kleuren.
In 1854 opende Louis Vuitton zijn eerste, in luxe koffers gespecialiseerde winkel in Parijs. Pas in 1896 signeerde hij alle koffers met het inmiddels wereldwijd gepatenteerde monogram in bruin beige met de letters LV. In 1914 werd de eerste Louis Vuitton winkel geopend op de Champs Élysées. Toen de grootste winkel ter wereld gespecialiseerd in reisbagage. In 2005 heropende Louis Vuitton op de Champs Élysées 101 een nieuwe flagstore, de grootste Louis Vuitton winkel ter wereld.

Louis Vuitton op de Champs Élysées 101, de grootste Louis Vuitton winkel ter wereld.

Op 99 het gerenommeerde restaurant Fouquet's. Fouquet's bestaat al sinds 1899 en is sinds 1930 dè hot spot voor sterren van de Franse filmindustrie. Gabin, Michèle Morgan, Truffaut, Godard en Chabrol behoorden tot de vaste clientèle. In 1990 krijgt het gebouw de status van historisch monument en tot op de dag van vandaag is het de 'place to be' voor de Parijse society, de showbusiness en de  Franse politiek.
Toyota, het eerste Japanse automerk op de Champs Élysées, presenteert zijn collectie op nummer 79. In deze showroom; gratis toegang tot het internet!
Na een verbouwing van zes maanden is in juli 2011, op nummer 53, het nieuwe 'l'Atelier Renault' geopend. Deze nieuwe hotspot in het hart van Parijs bestaat uit een bar, restaurant en een luxe showroom in de vorm van een experience center. De trendy bar en restaurant zijn verspreid over een ruim en licht mezzanine-niveau, compleet met vijf hoge loopbruggen, uitgevoerd in een super modern jasje van hout, glas en aluminium. De cocktails zijn overheerlijk, het voedsel vers en smakelijk en het entertainment; alles wat op de Champs-Élysées aan de andere kant van de glazen muur gebeurt, eindigt nooit.  L'Atelier Renault is dagelijks geopend tot 23.30 uur en op vrijdag en zaterdag zelfs tot 01.30 uur.

Atelier Renault

In de brasserie l'Alsace op nummer 39 kunt je 24 uur per dag, zeven dagen in de week terecht voor de onvermijdelijke zuurkool uit de Elzasser keuken, maar ook voor een voortreffelijk zeebanket. De diverse bioscopen van Gaumont en UGC, die je onderweg bent tegengekomen, vertonen bijna altijd de films in originele versie (VO version originale) dus zonder de vaak onvermijdelijke Franse nasynchronisatie.
We laten de winkels achter ons en steken de Rond-Point des Champs Elysées - Marcel Dassault over, richting de Place de la Concorde. We krijgen nu het groene gedeelte van de Avenue des Champs Élysées. Je passeert zo dadelijk het Grand Palais met zijn prachtige art-nouveau constructie uit staal en glas. Er kwam maar liefst 9.400 ton staal, 15.000 m² glas en zo’n 5.000 m² zink aan te pas. Nadat in 1993 een van de glazen platen naar beneden viel werd het gebouw meer dan een decennium gesloten in verband met renovatie. Het eerste deel van het Grand Palais heropende in 2004 en in 2007 was de renovatie compleet. Tijdens de renovatie werd de metalen structuur van de 240 meter lange hal hersteld, het glas vervangen en het dak volledig gerepareerd. Sinds de heropening doet het gebouw dienst als tentoonstellingsruimte, waar allerlei evenementen plaatsvinden. Een deel is in gebruik als museum.

Sprookjesachtig de binnentuin van het Petit Palais

Direct tegenover het Grand Palais staat zijn kleinere broertje; Petit Palais. Gebouwd door Charles Girault, die overigens tekende voor het ontwerp van beide paleizen. Geheel gerenoveerd in 2005. Een groot bordes leidt naar een indrukwekkend portaal met glazen koepels, erkers en een immense zuilengang en een café-restaurant. Deze grenst weer aan een halfronde weelderige binnentuin met een prachtige collonade met rondlopende fresco's en een grote vijver. TIP: je kunt hier terecht voor koffie of een lunch, ook zonder museumbezoek. Lunchen midden in de stad maar toch in een oase van rust, ver weg van het Parijse kabaal! Een absolute aanrader.
Even verderop in de Jardins des Champs-Élysées, het 3-Michelin-sterren-restaurant Ledoyen. Het gebouw met de elegante neo-klassieke gevel is een ontwerp uit 1842 van de Keulse architect Jacques Ignace Hittorff, die ook voor het ontwerp tekende van de Place de la Concorde. Dit uiterst chique en prijzige restaurant heeft een prachtige binnentuin. Prijzen voor eten à la carte liggen tussen de € 160 en € 280.

Het standbeeld van Charles de Gaulle met op de achtergrond het Grand Palais

Je bent nog enkele stappen verwijderd van het grootste koningsplein van Parijs (84.000 m²); de Place de la Concorde, daar waar de renners naar rechts afbuigen om vervolgens parallel aan de Seine te koersen. In 1748 besloot de stad Parijs om dit plein aan te leggen ter ere van Koning Lodewijk XV. Pas in 1830 kreeg het plein zijn huidige gestalte. Geniet van het prachtige lijnenspel, het snijpunt van de twee stadsassen. In de noord- zuidrichting, het Palais de Bourbon en de Madeleinekerk en in de oost- westrichting de twee triomfbogen; de Arc de Triomphe du Carousel en de Arc de Triomphe op Place Charles de Gaulle. In het midden de 23 meter hoge en 220 ton wegende obelisk van Luxor, een geschenk van de sultan van Egypte, geflankeerd door de prachtige fonteinen van Hittorf. De ene fontein symboliseert de binnenvaart, de andere de zeevaart.

Place de la Concorde met op de achtergrond de Madeleine kerk

We volgen de koers richting de Seine en vervolgen onze route parallel aan de tuinen van de Tuilerieën via de Quai des Tuileries. Aan de straatkant passeer je het Musée de l'Orangerie waar je de waterlelies kunt bewonderen van Claude Monet op acht monumentale doeken. De kunstenaar heeft tot aan zijn dood in 1926 aan deze doeken gewerkt. Ter hoogte van de Pont Royal nemen we de trappen naar boven naar de tuinen van de Tuilerieën in plaats van de tunnel die door de renners negen keer wordt doorkruist. Je passeert de voorzijde van de Flore vleugel, ook wel 'Porte de Lions' genoemd. Hier zit de restauratieafdeling van het Louvre en de kunst uit Afrika, Azië, Oceanië en Amerika. Bij het doorlopen van de Jardins du Carrousel kom je oog in oog te staan met de Arc de Triomphe du Carrousel, opgericht in 1806 -1808 in opdracht van Napoleon. Vervolgens passeer je de voorzijde van het Musée des Arts Décoratifs. Tot 1883 waren beiden vleugels nog met elkaar verbonden door het Tuilerieën kasteel dat in het zelfde jaar is gesloopt. We nemen de trappen naar beneden.

De Arc de Triomphe du Carrousel, opgericht in 1806 -1808 in opdracht van Napoleon

Naast het Hotel Regina, staat het indrukwekkende gouden beeld van Jeanne d'Arc, de Maagd van Orleans, in 1431 als heks verbrand. Het beeld is gemaakt door de Franse beeldhouwer Emmanuel Frémiet in 1874. Wij houden links aan en volgen de prachtige zuilengalerijen van de rue Rivoli tot aan de Place de la Concorde. Een wereld van vijf sterren luxe gaat voorbij; Hotel Brighton, Hotel le Meurice en The Westin Hotel. TIP: Sta even stil, of nog beter, ga naar binnen op nummer 226, bij Angélina. Het interieur is onveranderd sinds 1903, toen haar voorvader, Antoine Rumpelmeyer, hier zijn eerste banketbakkerij annex theesalon opende. Zien en gezien worden, want hier kun je de verleiding niet weerstaan voor wat heet, de beste warme chocola ter wereld.

Naast het Hotel Regina, staat het indrukwekkende gouden beeld van Jeanne d'Arc

We zijn nu bijna bij de finish en naderen weer de Place de la Concorde. De prachtige gevels aan dit plein sluiten qua architectuur aan op het Louvre.  Rechts het Hôtel de la Marine, de zetel van de admiraliteit. Na de rue Royale, met op het einde de Madeleinekerk, volgt het, vijf-sterren, nouveau riche Hôtel de Crillon. Op 5 juli 2017, na vier jaar verbouwen, opende dit hotel weer haar deuren. In 2012 raakte het hotel zijn 'paleisstatus' kwijt. Het hotel beschikte toen zelfs niet eens over een zwembad! Le Crillon, eigendom van een Saoedische prins is dankzij de investering van 200 miljoen weer in oude luister hersteld. Kamers vanaf € 1170. Het zwaar bewaakte gebouw ernaast is de Amerikaanse Ambassade.

Het net geopende hotel Crillon***** Voor 200 miljoen verbouwd - de prijs per kamer vanaf € 1170


We zijn toe aan de laatste meters, die we volgen langs de groene zijde van de Champs Élysées. Nog even flaneren over de allée Marcel Proust langs het café Lenôtre en het Théâtre Marigny, in 1883 gebouwd door Charles Garnier, die ook tekende voor de Opera Garnier aan de place de l'Opera. Nog een laatste demarage en uw Tour de France eindigt hier en de tourwinnaar........die krijgt € 500.000 op zijn rekening bijgeschreven.

Zeer waarschijnlijk zal de foto van 2016 dezelfde zijn als die van 2017

woensdag 12 juli 2017

MUSÉE MAILLOL, ROOFKUNST IN PARIJS

Het is opvallend druk in de rue de Grenelle in het zevende arrondissement. Een lange rij mensen op de stoep maakt mij nieuwsgierig. Ter hoogte van nummer 59, vlak naast de fontein van de vier seizoenen, is het een drukte van belang. Musee Maillol staat er in grote letters op de gevel, gewijd aan de beeldhouwer Aristide Maillol (1861 - 1944). Maar van waar die drukte?

Deze tentoonstelling, een absolute 'must see' is nog te zien tot en met 23 juli 2017

Het gaat hier om de tentoonstelling '21 rue de la Boétie' die al eerder te zien was in het Luikse museum 'La Boverie'. Het vertelt het levensverhaal van Paul Rosenberg (1881 - 1959), zakenman, kunstliefhebber, vriend en agent van kunstenaars waaronder Picasso, Matisse, Braque en Léger en daarin, is een grote rol weggelegd voor de Tweede Wereldoorlog. Rosenberg was een van de grootste kunsthandelaars van de eerste helft van de vorige eeuw Het brengt ongeveer zestig meesterwerken van de moderne kunst van bovengenoemde kunstenaars onder de aandacht. Een groot aantal werken zijn nog nooit te zien geweest in Frankrijk en afkomstig uit particuliere collecties, maar ook uit de collecties van het Centre Pompidou, Musée d'Orsay, Musée Picasso of het Deutches Historisches Museum in Berlijn. Veel van deze schilderijen zijn ooit verhandeld door Paul Rosenberg vanuit zijn Parijse galerie aan de rue de la Boétie 21. Ze konden mede door de bemiddeling van ene Anne Sinclair uit de beste internationale museale collecties worden geleend.

Paul Rosenberg (1881-1959), zakenman, kunstliefhebber, vriend en agent van kunstenaars waaronder Picasso, Matisse, Braque en Léger

Anne Sinclair
"Er is niets, helemaal niets meer’, schrijft Léa Roisneau, de secretaresse van Rosenberg in 1941 aan haar joodse baas die gevlucht is naar New York. Kort daarvoor hebben de nazi’s zijn Parijse galerie geplunderd, evenals een bankkluis in Libourne en zijn buitenhuis in Floriac. Meer dan vierhonderd schilderijen verdwijnen naar Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland, en vandaar in talloze privéverzamelingen. Het is een citaat uit het boek van Anne Sinclair over haar grootvader Paul Rosenberg, getiteld 'Rue de la Boétie 21', waarmee ze haar grootvader postuum eer betoont voor zijn moed en onverzettelijkheid, om na de Tweede Wereldoorlog de onderste steen boven te krijgen aangaande roofkunst, bedrog en opportunisme. Rosenberg bleek een witte raaf in de besmette kunsthandel, waar zelfs de gerenommeerde joodse kunsthandelaar Wildenstein onder één hoedje speelde met de nazi's.

Anne Sinclair's boek over haar grootvader Paul Rosenberg, getiteld 'Rue de la Boétie 21'

Anne Sinclair besloot de familiegeschiedenis van haar joodse grootvader Paul Rosenberg op schrift te stellen toen ze, op zoek naar oude identiteitspapieren, de archiefdozen van haar overleden moeder Micheline doorzocht. De florerende kunsthandel van haar grootvader werd met 'inboedel', archief en bibliotheek door de nazi's in beslag genomen en letterlijk geroofd.  Anne is een bekende Franse persoonlijkheid; journalist en hoofdredacteur van de Franse editie van de Huffington Post en het gezicht van het tv-programma '7 sur 7'. Zij schreef 'Rue La Boétie, 21' in een turbulente periode van haar eigen leven. Wij kennen haar als de nu voormalige vrouw van Dominique Strauss-Kahn, de toenmalige IMF topman.
Op 14 mei 2011 werd Strauss-Kahn op John F. Kennedy International Airport gearresteerd in een Air France-vliegtuig, nadat Nafissatou Diallo, een hotelmedewerkster, hem ervan had beschuldigd dat hij haar in zijn hotelkamer had aangerand en gedwongen had tot orale seks. Voor de wereldpers week Anne Sinclair niet van zijn zijde, maar ondertussen was ze met iets heel anders bezig: ze pluisde het ene document na het andere uit over de ontluisterende praktijken van de nazi’s ten aanzien van de door hen ‘entartet’ verklaarde kunst. ('Entartete Kunst' is een beruchte Duitse term die in nazi-Duitsland (1933-1945) werd gebruikt om kunst aan te duiden die niet aan de eisen van het nationaal socialistische regime voldeed).

Een groot aantal werken zijn nog nooit te zien geweest in Frankrijk en afkomstig uit particuliere collecties

De expositie
De tentoonstelling is een absolute 'must see' in dit overigens fraaie museum, maar daarover straks meer. Aan het begin van de expositie hangt een vergrootte lijntekening van Picasso waarop Paul Rosenberg in zijn galerie is afgebeeld met de eeuwige sigaret geklemd tussen zijn vingers. Bij binnenkomst, op de eerste etage van het museum, stap je als het ware regelrecht in de ambiance van de Galerie La Boétie 21. Grote foto's in sepia geven een prachtig beeld van haar toonzalen vol met kubistische schilderijen van onder andere Braque en Picasso. Op een van de foto's ontdek je zelfs aan de wand de 'Zonnebloemen' van Van Gogh. In de hal een marmeren mozaïeken vloer, een ontwerp van Georges Braque. Hij verwerkte zijn eigen stillevens met karaffen, borden, citroenen en tafellakens als motieven in het ontwerp voor de vloer. Toen de galerie van plint tot plafond was geplunderd door de nazi’s, stond het beeld van de 'Denker' van Rodin nog eenzaam in de hal, kennelijk te zwaar om op transport te gaan. Ook de vloer met de mozaïeken van Braque zat vastgeklonken.

Rosenberg had ook een bijzondere relatie met Picasso, ze waren namelijk buren in de rue de la Boétie

Het handelen in kunst lijkt in de genen van de Rosenbergs te zitten. Pauls vader Alexandre emigreerde in 1878 uit Slowakije en beproefde zijn geluk in de Parijse kunst- en antiekhandel. Zijn twee zonen, Paul en Léonce, begonnen hun carrière in de galerie van hun vader aan de Avenue de l’Opéra en namen zijn levenswerk later over. Paul Rosenberg was autodidact, zonder scholing maar met de tucht en discipline van zijn vader, bracht hij het tot volhardend kunstenaar in de hoogste kringen. Zijn broer Léonce werd de vertegenwoordiger van de kubistische schilders. Uiteindelijk opende hij een eigen galerie in rue de la Baume en werd daarmee het verzamelpunt voor avantgardistische kunstenaars van die tijd.

Georges Braque - Nu couché 1935

Paul begon in 1910 zijn galerie in rue la Boétie. Op de eerste verdieping toonde hij zijn impressionisten en andere schilders uit de 19e eeuw. De opbrengst daarvan gebruikte hij om op de benedenverdieping zijn geliefde hedendaagse schilders aan te prijzen. Voortbouwend op dit succes opende hij in 1936 een filiaal in Londen. Daardoor kon hij makkelijker in contact komen met Amerikaanse verzamelaars. Paul begreep als geen ander dat de liefde van kunstenaars voor hun handelaar langs de geldbeugel loopt. Hij was de eerste die investeerde in zogenaamde 'eerste-optie-contracten', waarbij hij in ruil voor een jaarlijks minimumbedrag, het recht kreeg om als eerste hun nieuwe werk te kopen. Mede daardoor puilde zijn voorraad eind jaren dertig uit met werken van Manet, Degas, Cézanne, Courbet, Renoir, Gaugin, Léger, Modigliani en vele anderen.

Bij binnenkomst, op de eerste etage van het museum, stap je als het ware regelrecht in de ambiance van de Galerie La Boétie 21

Rosenberg had ook een bijzondere relatie met Picasso. Ze waren namelijk buren in de rue de la Boétie. Picasso woonde op nummer 23, waar hij door het keukenraam zijn nieuwste werk toonde aan Rosenberg en zo direct commentaar kreeg van zijn buurman. Hun vriendschap verhinderde niet dat ze op het scherp van de snede onderhandelden over de prijs van de schilderijen. Tekenend is de uitspraak van Rosenberg over Picasso dat ‘ik hem in zijn ene wang zou willen bijten en hem op de andere wang zou willen kussen’.

Er valt op de expositie geen surrealistische kunst te zien, simpelweg omdat Rosenberg daar zijn neus voor ophaalde. Toen Salvador Dalí hem op een dag beleefd aansprak in een restaurant met de vraag hem te vertegenwoordigen, antwoordde Rosenberg vilein: "Meneer, mijn galerie is een ernstige zaak, die niet bedoeld is voor clowns."

Pablo Picasso: Partition bouteille de porto, guitare et cartes à jouer - 1917

Toen de signalen van een opkomende oorlog steeds sterker werden, begon Rosenberg eind jaren ’30 kunstwerken richting Londen te sturen, naar de Verenigde Staten, Australië en Zuid-Amerika, andere had hij verstopt bij vertrouwenspersonen in Frankrijk. Toch kon hij niet voorkomen dat meer dan 400 werken ten prooi vielen van de nazi's.
Veel kunstwerken die in de oorlogsjaren naar Duitsland gingen waren bestemd voor het Führermuseum, dat in Linz moest verrijzen, in de buurt van Hitlers geboorteplek. Dit museum, dat nooit verwezenlijkt werd, moest alle andere musea in de wereld in de schaduw stellen. Hitler had medewerkers die de museumverzameling verzamelden en beheerden. Hoewel Hitler zich sterk identificeerde met het museumproject waren zijn inbreng en smaak van ondergeschikt belang bij de opbouw van de verzameling.
De tweede grote nazi-verzameling was de privécollectie van veldmaarschalk Hermann Göring. In tegenstelling tot Hitler was Göring een aartsverzamelaar met een duidelijk eigen smaak. Hij zocht zelf veel van zijn collectie uit en kocht zelf werken.

Hitler en Göring bij de selectie van hun roofkunst

Na de inval van de nazi’s vluchtte Rosenberg, met behulp van visa's, verstrekt door het Portugese consulaat, (zijn Franse nationaliteit was hem ontnomen door het Vichy-regime omdat hij jood was) via talloze omwegen met zijn gezin naar Portugal, waar hij op het nippertje in 1940 wist te emigreren naar New York.. Daar bleef hij niet bij pakken neerzitten en opende in 1941 een nieuwe galerie. In vluchtoord New York, waar hij tot aan zijn dood met zijn familie zou blijven wonen, ging Rosenberg onverdroten en met veel succes verder met het promoten van moderne kunst. Na de oorlog begon een calvarietocht om alle gestolen werken op te sporen en terug te eisen, een taak waar Rosenberg zich energiek op stortte en die zijn nabestaanden tot op heden voortzetten. Waar in 1941 ‘niets, helemaal niets meer’ van over was, is vandaag een groot deel van teruggevonden. In een hommage aan Paul Rosenberg, en de kunstenaars onder zijn hoede, toont het Parijs Musée Maillol daar nog tot en met 23 juli 2017 een zestigtal werken van.

Waar in 1941 ‘niets, helemaal niets meer’ van over was, is vandaag een groot deel van teruggevonden

Na de oorlog heeft Paul Rosenberg als één van de eerste activiteiten de vloermozaïek in de hal van zijn galerie keurig laten uitsnijden en van de voorstelling van Braque vier tafels laten maken. Eén van die tafels, uit het huis van Anne Sinclair, staat nu in de laatste zaal van de expositie. Ogenschijnlijk een bijzonder, maar gewoon meubelstuk, maar wie het verhaal kent, kan er niet onberoerd langs lopen.

Bron: Anne Sinclair; Rue de la Boétie 21 Memoires. Verkrijgbaar bij uitgeverij de Bezige Bij - € 19,95

Vanaf 1895 studeerde Aristide Maillol beeldhouwkunst bij Émile-Antoine Bourdelle

Wat u zeker niet moet vergeten is om op de bovenliggende etages te kijken naar het werk van de Franse schilder en beeldhouwer, Aristide Maillol.
Maillol werd in 1861 geboren in Roussillon, nabij de Spaanse grens bij de Middellandse Zee. Hij kwam uit een familie van wijnboeren, vissers en smokkelaars. Zijn moedertaal was het Catalaans en hij sprak Frans met een sterk accent. In 1881 werd hij toegelaten tot de École des Beaux-Arts met het advies eerst een basisopleiding te volgen aan de École des Arts-Décoratifs waar hij in 1885 afstudeerde. De schilderijen van zijn tijdgenoten Puvis de Chavannes en Gauguin maakten diepe indruk op hem. Toen eenmaal bleek dat zijn grootste talent niet lag in de schilderkunst verwierf hij roem door zijn originele ontwerpen van wandtapijten. Vooral Gauguin, de schilder naar wie hij het meest opkeek, sprak zijn bewondering hierover uit. In 1893 startte Maillol een tapijtweverij in zijn huis in Banyuls. Hij stelde er vrouwen uit het dorp te werk, onder wie de zusters Clotilde en Angélique Narcisse. Door gebrek aan geld, maar vooral door een oogziekte die veroorzaakt was door het weefwerk, werd Maillol gedwongen de tapijtweverij op te geven. Hij ging terug naar Parijs. Clotilde Narcisse volgde hem en werd in juli 1896 zijn echtgenote. In oktober van dat jaar werd hun zoon Lucien (1896-1972) geboren, die schilder werd.

Opvallend is zijn streven naar evenwichtige beweging en een indrukwekkende rust

Vanaf 1895 studeerde hij beeldhouwkunst bij Émile-Antoine Bourdelle. Hij begon met terracotta beelden en vanaf 1900 werkte hij eerst in hout, later in klei en brons. Zijn eerste belangrijke beeldhouwwerk dateert van 1902. Voor dit beeld van een zittende vrouw was Clotilde het model. In zijn beginjaren poseerde zij vaak voor hem. Later had hij vele andere modellen, tot haar grote jaloezie. Toen hij zijn eigen neoclassicistische stijl gevonden had heeft hij die nauwelijks verder ontwikkeld. Veertig jaar lang bleef zijn werkwijze min of meer dezelfde. Zijn beelden van naakte vrouwen zijn steeds glad gepolijst en een toonbeeld van elegantie en zinnelijkheid. Opvallend is zijn streven naar evenwichtige beweging en een indrukwekkende rust.

Artistide Maillol met Dina Vierny, model, muze en platonische vriendin

Toen hij 73 was ontmoette Maillol een meisje uit Moldavië, de toen vijftienjarige joodse Dina Vierny. Ze werd zijn model, muze en platonische vriendin tijdens de laatste tien jaar van zijn leven. Aristide Maillol kwam in september 1944 op 82-jarige leeftijd bij een verkeersongeluk om het leven.
Na Clotildes dood in 1952 mocht Dina de erfenis delen met Lucien. Ze werd kunsthandelaar en bleef Maillols werk propageren tot haar dood. In 1966 schonk ze achttien beelden van Maillol aan de Franse staat, die permanent in de Tuilerieën werden opgesteld en ingewijd door André Malraux, toen de minister van cultuur onder president De Gaulle. Ze richtte in Parijs ook dit museum op dat zijn deuren opende in 1995. De permanente tentoonstelling bestaat uit het werk van de kunstenaar in combinatie met schilderijen van zijn vrienden, voor wie hij diepe bewondering had, onder wie Bonnard, Cézanne, Duffy, Gaugin en Matisse.

Zijn beelden van naakte vrouwen zijn steeds glad gepolijst en een toonbeeld van elegantie en zinnelijkheid

Musée Maillol, rue de Grenelle 59-61, 7e arrondissement, métro rue-du-Bac
Het museum is elke dag geopend 10:30-18:30 vrijdagavond tot 21.30 uur.

Ik adviseer u om de tickets online te bestellen. Er zit vaak slechts één caissière en u moet ook nog door een beveiligingspoortje.

woensdag 5 juli 2017

MUSÉE NISSIM DE CAMONDO PARIJS: DE GLORIE EN DE TRAGEDIE

Aan het eind van de dure stadslaan, avenue Ruysdaël, in het achtste arrondissement, wacht een indrukwekkend hekwerk waarachter zich het Parc Monceau bevindt. Neem de rue Monceau, een weinig indrukwekkende straat, op het eerste gezicht onooglijk, maar schijn bedriegt. Hier woonde aan het begin van de twintigste eeuw een ongekende melange van adel, joodse aristocratie, protestantse high society, industriële- en bancaire bourgeoisie en religieuze congregaties; aldus Pierre Assouline in zijn boek 'Le dernier des Camondo,' over de bewoners van nummer 63. Ook dat nummer dringt zich niet op, met zijn bescheiden opschrift Musée Nissim de Camondo. Pas als je de binnenplaats opkomt achter de poort sta je oog in oog met een elegant stadspaleis geïnspireerd op het Petit Trianon van Koningin Marie Antoinette.

Rue Monceau, nummer 63, ook dat nummer dringt zich niet op met zijn bescheiden opschrift Musée Nissim de Camondo

In 1910 liet de puissant rijke bankierszoon Moïse de Camondo het huis op nummer 63, dat zijn vader hem had nagelaten, slopen om zijn toen al indrukwekkende kunstcollectie een passende omgeving te bieden. Het werd een meesterstukje van klassieke architectuur, waarin de complete collectie nog altijd te zien is, onveranderd, zoals Moïse de Camondo haar in 1935 aan de Franse Staat vermaakte.

Behalve rijk en kunstverzamelaar, was Moïse de Camondo ook van Sefardisch Joodse afkomst, geboren in Turkije. Voor hun komst naar Parijs had de familie Camondo al een woelige geschiedenis achter de rug. Het geslacht stamde uit Spanje, vanwaar het in 1592, zoals alle joden, door Philips II waren verbannen. Na omzwervingen waren de Camondo's in Constantinopel terechtgekomen, waar ze zich ontpopten tot de bankiers van de Ottomaanse pasja's. Zo werd de Turkse bijdrage aan de Krimoorlog door de Camondo's gefinancierd. Ze werden er schat hemeltje rijk van. Maar ook buiten Constantinopel had de naam van de bank 'Camondo et Cie' een overbekende klank. De 'Rothschilds van het Oosten' werden ze genoemd.

Pas als je de binnenplaats opkomt achter de poort sta je oog in oog met een elegant stadspaleis geïnspireerd op het Petit Trianon van Koningin Marie Antoinette

De grondvester was in de jaren vijftig van de negentiende eeuw zo belangrijk, dat hij met z'n gezin naar Wenen kwam om het huwelijk van keizer Frans Jozef bij te wonen. Een decennium later financierde hij de Italiaanse eenwording. Uit dank kreeg de hele familie de Italiaanse nationaliteit en werd ze in de adelstand verheven door Koning Victor Emmanuel II, die erfelijke graven van de Camondo's maakte. Toen omstreeks dezelfde tijd in Constantinopel, het vroegeer Istanbul, weer eens een voor joden ongunstige wind opstak, besloten de twee zoons, Abraham Behor en Nissim, naar Parijs te verhuizen. Abraham en Nissim kozen voor een van de meest exclusieve wijken in de hoofdstad, het gebied rond Parc Monceau. De broers vestigden zich naast elkaar aan het park, destijds de nieuwe aanleg van de stad, ontstaan op de tekentafel van baron Haussmann. De broers bewogen zich meteen in de maatschappelijke top. Hun herkomst verraadden ze alleen wanneer ze op zwoele avonden met een fez op in de tuin zaten.

De begane grond laat zien wat de Moïse Camondo met 'Grandeur' bedoelde.

De collectioneurs in de familie de Camondo waren echter niet de broers Arbraham Behor en Nissim maar hun respectievelijke zonen Isaac (1851-1911) en Moïse (Mozes - 1860-1935). Isaac bijvoorbeeld, liet na zijn dood in 1911, zijn gehele moderne kunstcollecties, waaronder veertien kunstwerken van Monet, Cezanne en Degas, na aan het Louvre (De werken verhuisden later naar het Musée d'Orsay).

Een doorkijkje naar de 'huiskamer.' De panelen uitgevoerd in wit eiken waren afkomstig uit de 'Salon de Compagnie' uit het woonhuis van  de Graaf van Menou aan de Rue Royale (1782-1785)

De periode rond de eeuwwisseling was voor kunstverzamelaars een gouden tijd. Parijs was toen de belangrijkste kunstmarkt ter wereld doordat veel kastelen van de oude adel van vóór de revolutie tegen de vlakte gingen en de markt werd overstroomd met complete inboedels. Moïse liet zich adviseren door curatoren van het Louvre en het Musée des Arts Décoratif en kwam zo in contact met grote antiquairs. Zo bleef hij zijn collectie verrijken tot het einde van zijn leven. Steeds verkocht hij stukken om weer betere stukken aan te kunnen kopen.

Om zijn kunstverzameling beter tot haar recht te laten komen, beslist hij in 1910 zijn woning aan het Parc Monceau helemaal neer te halen en opnieuw op te bouwen, op een dusdanige manier dat de kunstwerken er een vaste plaats krijgen. Alle tapijten, schouwen, deuren enz. die hij in de loop der jaren verzameld heeft, worden in de tekeningen van de architect, René Sergent verwerkt. Het wordt een huis uit begin 20e eeuw, maar met de uitstraling van een klein kasteeltje. Ideaal om zijn 18-eeuwse decoratieve schatten te presenteren. Een moderne receptie-fabriek, gericht op grote ontvangsten voorzien van alle luxe en comfort uit die tijd, waaronder verwarming en badkamers.

In de keuken staat een enorm zwart kookeiland van gietijzer met een ingegoten fabricagedatum: 1912. Erachter wacht een 'rotissoir' met een ingenieus draaimechaniek dat in werking wordt gesteld door de rook van het kolenfornuis. Heel ongebruikelijk in die tijd, maar de helft van het huis bestaat uit dienstvertrekken. Voor wie hier rondloopt roept het een gevoel op van Downton Abbey.' Alles in dienst van het 'recevoir', de belangrijkste bezigheid van de adel en haute bourgeoisie aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Bij de Camondo's kwam iedereen. Maar voor Moïse betekende dat door zijn verzameling te worden geaccepteerd door de geboren aristocratie.

Le 'Salon des Huet'

Hoewel succesvol in zaken was hij minder gelukkig in zijn privé leven. In een alliantie van twee krachtige bankiersfamilies trouwt  de enigszins stugge Moïse in 1891 met Irène Cahen d'Anvers, Amper 19 jaar oud, maar eveneens afkomstig uit een rijke joodse bankiersfamilie. Irène was zelfs als kind door Renoir geschilderd, met krullend lang bruin haar dat over haar rug valt en gewikkeld rond haar schouder een bonte cape. Het huwelijk vindt plaats in de 'Grande Synagogue de Paris' aan de Rue de la Victoire. Vijf jaar en twee kinderen later wordt ze verliefd op een Italiaanse graaf; Charles Sampieri. In de scheiding krijgt Moïse voogdij over de twee kinderen: Nissim de zoon, vernoemd naar zijn grootvader en dochter Béatrice.

De badkamer van Moïse de Camondo

Zoon Nissim groeit ondertussen op tot een elegante jongeman, met toekomstperspectieven waar de andere jongens van die leeftijd alleen maar van kunnen dromen. Maar het noodlot slaat toe. Wereldoorlog I breekt uit. Nissim trekt naar het front, eerst als soldaat, daarna kiest hij voor de meer heroïsche luchtmacht en wordt vliegenier. In september 1917 wordt zijn vliegtuig geraakt bij een luchtgevecht. Nissim kan nog net landen, maar overlijdt enkele dagen later aan de opgelopen verwondingen.

In de keuken staat een enorm zwart kookeiland van gietijzer met een ingegoten fabricagedatum: 1912

Vader Moïse is ontroostbaar en schrijft twee jaar later in een brief over 'de catastrofe die zijn leven vernietigd heeft'. Hij liquideert al zijn bankbelangen en trekt zich terug uit het openbare leven. Het huis, dat van nok tot kelder was gebouwd om te ontvangen, zou geen sterveling meer zien. De bewoner wilde er alleen blijven, getroost door 'de decoratieve kunst uit de periode die ik meer dan alle andere liefheb,' zoals Moïse in zijn testament schreef.

Het huis, sinds de dood van Moïse Camondo in 1935 onveranderd, lijkt opdat de bewoner elk moment kan terugkeren 

Wanneer enkele jaren later dochter Béatrice het ouderlijk huis verlaat om te trouwen met Léon Reinach, zoon van eveneens een Joodse familie, blijft Moïse alleen achter. Hij bepaalt dat zijn woning met alle kunstwerken na zijn dood als museum naar de Franse Staat moet gaan, ter nagedachtenis van zijn zoon. In 1935 overlijdt Moïse en gaat de woning overeenkomstig de beschikking over naar de Staat en wordt museum: Het museum Nissim de Camondo.

In principe zou het verhaal over het ontstaan van dit museum hier eindigen. Maar de tegenslagen die het geslacht Camondo zal kennen, zijn kennelijk niet ten einde. Dochter Béatrice en Léon Reinach krijgen twee kinderen, Fanny en Bertrand. Wanneer de 2e Wereldoorlog uitbreekt, wordt het hele gezin Reinach-Camondo opgepakt en gedeporteerd naar Auschwitz. Geen van hen zal de oorlog overleven. Het betekende het einde van de familie de Camondo. Op de joodse afdeling van de begraafplaats van Montmartre staat een bescheiden gedenkteken, 'Famille Camondo.'

Voor wie hier rondloopt roept het een gevoel op van Downton Abbey.' Alles in dienst van het 'recevoir', de belangrijkste bezigheid van de adel en haute bourgeoisie

Met de kunst- en meubelcollectie van de familie liep het beter af. In 1940 werden de werken naar het château de Valencay overgebracht, waar ook een deel van de collectie van het Louvre zich tijdelijk bevond. Hier doorstonden de stukken de oorlog. Na de tweede wereldoorlog werd het museum heropend en vertelt over het leven en de tijden van de familie de Camondo, bankiers, filantropen, verzamelaars en joden. In het museum, dat wordt geëxploiteerd door de Franse staat, is er nauwelijks aandacht voor het verschrikkelijke verhaal. Slechts een marmeren plaquette onder de poort verraadt iets meer van het familiedrama dat zich op dit adres voltrok.

De dienstingang met het kantoortje van de hoofd butler

Wat gebeurde er met het portret van Irène?
Wanneer Irène trouwt met Moïse, verhuist het schilderij met haar mee naar haar nieuwe woning. Maar na de scheiding keert het schilderij opnieuw naar het ouderlijk huis. In 1910 schenkt de moeder van Irène, gravin Cahen d’Anvers het schilderij aan haar kleindochter Béatrice, dochter van Irène. Niet omdat het om een Renoir ging, maar als aandenken aan de moeder die ze zo gemist had.

Het portret van Irène Cahen d'Anvers geschilderd door Renoir

Verschillende decennia later, tijdens de Tweede Wereldoorlog, is de waarde van het schilderij ondertussen wel doorgedrongen tot de familie Camondo en Cahen, en ook ver daarbuiten. Het schilderij raakt in handen van Goering, die het  afstaat aan een zekere Georg Bührle, rijk Zwitsers industrieel van Duitse origine, leverancier van zwaar legermateriaal aan de Wermacht en belangrijk koper van kunst.

De trap die toegang biedt tot de privé vertrekken van Moïse Camondo

Na de bevrijding ontdekt Irène Cahen d’Anvers op een tentoonstelling van meesterwerken van Franse collecties, teruggevonden in Duitsland en Zwitserland, haar portret. Ze onderneemt stappen om het terug te bemachtigen en laat het identificeren, wat haar weinig problemen oplevert, iedereen weet immers dat het portret Irène Cahen d’Anvers voorstelt. Via de erfenis van haar dochter, laatste officiële eigenaar van het portret, komt Irène opnieuw in bezit van haar eigen schilderij. Maar de haat-liefde relatie met het schilderij blijft en even later – in 1949 – besluit ze het schilderij te koop te stellen bij een Parijse galerie. Het duurt niet lang of een koper meldt zich aan. Het is… Georg Bührle. Het schilderij vertrekt opnieuw naar Zwitserland, ditmaal in alle legaliteit en met de goedkeuring van de Franse staat. Het hangt vandaag in de Foundation E.G. Bührle in Zurich. Het schilderij is dus jammer genoeg niet te zien in het museum Nissim de Camondo.

De verzameling bevat voornamelijk Franse meubels uit de 18e eeuw, aangevuld met schilderijen en wandtapijten. Als bezoeker is het nauwelijks voor te stellen dat hier gewone burgers hebben gewoond. Het huis en de inrichting hebben de allure van een paleis. Er zijn prachtige salons, een bibliotheek met uitzicht op het park en een grote eetzaal. Ook wordt de bezoeker toegelaten in de slaapvertrekken en de werkkamers van de Camondo’s. Bijzonder is bovendien dat ook de badkamers en de enorme keuken toegankelijk zijn voor publiek. Indringend omdat het voelt als een indringer, rondlopend in een verlaten huis.

Bronnen:
Pierre Assouline: 'Le dernier des Camondo'. Gallimard
Adriaan van Dis: 'Stadliefde; Scènes in Parijs'

Musée Nissim de Camondo, 63, rue de Monceau, 8e arrondissement, métro Monceau.

Geopend van woensdag tot en met zondag van 11.00 uur - 17.30 uur. Maandag en dinsdag gesloten. Entree €13